Toespraak van Z.M. de Koning aan de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, Straatsburg 21/04/2015

Mevrouw de Voorzitter van de Parlementaire Vergadering,

Mijnheer de Voorzitter van het Ministercomité,

Mijnheer de Secretaris Generaal,

Dames en heren, leden van de Parlementaire Vergadering,

 

 

Uw Vergadering vertegenwoordigt vandaag 47 lidstaten en meer dan 800 miljoen inwoners. Sinds 1949 heeft de Europese familie zich zo steeds meer verenigd en versterkt rond de essentiële fundamenten van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten. Dat is tegelijkertijd een reden voor optimisme en een immense verantwoordelijkheid.

 

Ik richt mij tot u, nu België de eer heeft het voorzitterschap van de Ministerraad waar te nemen. Mijn aanwezigheid hier toont aan hoe diep mijn land gehecht is aan het geheel van de instellingen van de Raad van Europa. Samen waken zij over een bouwwerk van fundamentele waarden, dat wij door de eeuwen heen hebben opgetrokken. Dat we in de loop van de geschiedenis - en meer bepaald na de tweede wereldoorlog - de behoefte hebben gevoeld om deze waarden te laten bewaken, is omdat ze kwetsbaar zijn.

 

Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950 is het antwoord van een Europa in opbouw tegen tirannie, onderdrukking en barbaarse daden, in het bijzonder die van de Shoah. De rechten van de mens zijn en moeten een bolwerk blijven tegen het extreme kwaad waartoe de mens soms in staat is. Het is hun taak om de menselijkheid te beschermen in de mens. Deze rechten en vrijheden hebben hun wortels in de idee van een waardige maatschappij. Daaronder versta ik: een maatschappij die machtsmisbruik, onwaardigheden en vernederingen bant.

 

Ook al is de context intussen grondig gewijzigd, moet deze oorspronkelijke inspiratie voortdurend hernieuwd worden. Zeker omdat er tegenwoordig in veel van onze landen, een groeiende tendens bestaat tot versplintering van de maatschappij en individualisme. En ook omdat, bij dit begin van deze 21ste eeuw, barbaarse daden onze wereld blijven teisteren.

 

Er is ongetwijfeld vooruitgang geboekt. Toch blijven er in onze samenlevingen nog te veel situaties bestaan waarin mannen en vrouwen onwaardig worden behandeld.

 

Het in 2011 gepubliceerde verslag van de groep eminente persoonlijkheden van de Raad van Europa over onverdraagzaamheid en discriminatie in Europa, toont duidelijk aan hoe onze maatschappijen bepaalde onwaardige houdingen ontwikkelen als reactie op de migratiedruk. Zoals het verslag aangeeft, is dit niet alleen het geval bij individuen, maar ook bij instellingen. De recente tragische gebeurtenissen op de Middellandse Zee herinneren ons eraan hoe hoogdringend dit probleem is voor Europa.

 

Ook dichterbij ons zien wij en maken wij dagelijks onwaardige situaties mee. Ondanks belangrijke inspanningen die overal in Europa geleverd worden om dit te verhelpen, kunnen we er niet naast kijken, hoe moeilijk het is om tot de arbeidsmarkt toe te treden of hoe arbeidsvoorwaarden soms efficiëntie verkiezen boven de ontplooiing van het individu. Naast de enorme verworvenheden in de gezondheidszorg en bij de opvang van ouderen, stellen we vast dat ook daar de menswaardigheid soms terrein verliest.

 

Tot slot is er de onverschilligheid, hier en daar, geniepig aanwezig, en waarachter een ontkenning van het bestaan zelf van de ander kan schuilgaan. Dat is onder meer het geval wanneer we onze blik afwenden  van  armoede, hulpbehoevendheid en eenzaamheid, nochtans erg aanwezig rondom ons. Het zijn even zovele beledigingen van de rechten van de mens.

 

Om een waardige maatschappij op te bouwen en te behouden, moeten we aanknopen met de visie op de mens in zijn geheel waarvan het Europees Verdrag van de rechten van de mens en alle normatieve en politieke instrumenten van de Raad van Europa zijn doordrongen: een individu dat niet alleen rechten heeft, maar ook plichten ten aanzien van de maatschappij waarin het leeft. Vandaag bestaat onze collectieve verantwoordelijkheid erin om, zoals artikel 28 van de Verklaring het stelt, te zorgen voor een  zodanige maatschappelijke en internationale orde, dat de fundamentele burgerlijke en politieke, economische, sociale en culturele rechten ten volle kunnen worden verwezenlijkt.

 

Wat is deze visie van de mens in zijn geheel? Een mens is uniek en schijnbaar alleen op de wereld, maar hij richt zich ook op de andere en is afhankelijk van de wereld waarin hij leeft. De mens is tegelijk autonoom en open, in zichzelf gekeerd en verbonden met de anderen.

 

Enerzijds heeft ieder mens het recht op zijn innerlijke wereld, zijn privésfeer, zijn intimiteit, zijn geheimen, een leven gebaseerd op zijn eigen keuzes. Dat is met name het recht op respect voor het privéleven, zoals beschreven in artikel 8 van het Verdrag. De mens moet kunnen 'vrij zijn van' elke inmenging van de buitenwereld. Anderzijds moet hij open staan voor de anderen en voor de wereld. Het is de grondslag van artikel 11 van het Verdrag, dat de vrijheid van vergadering en van vereniging instelt.

 

Deze twee dimensies zijn niet alleen complementair, ze versterken elkaar ook onderling. De mens ontwikkelt zich en groeit via authentieke interpersoonlijke relaties gebaseerd op respect, empathie en geëngageerde verdraagzaamheid. Uit deze voortdurende wederkerige verrijking ontstaat een waardige maatschappij en wordt een beschaving gebouwd.

 

Opdat de mens zich volledig zou ontplooien, moet hij beide dimensies op een evenwichtige manier kunnen ontwikkelen. Teveel autonomie, zich teveel op zichzelf terugplooien, kan de versplintering van onze maatschappij en het individualisme versterken, het kan de zin voor het gemeenschappelijke goed doen verliezen en de overdracht van waarden en tradities bemoeilijken. Een te sterk versplinterde maatschappij kan makkelijk evolueren naar een onverschillige maatschappij, waarin laster en minachting gedijen. Uiteindelijk kan dit ook leiden tot onverdraagzaamheid en geweld.

 

Anderzijds kan overdreven veel openheid leiden tot relativisme, een gebrek aan identiteit en loyauteit tot gevolg hebben en een overdreven afhankelijkheid van de anderen. Bovendien, hoewel een zekere transparantie noodzakelijk is, is absolute transparantie tussen individuen een illusie. Ze verhindert het tot stand komen van een band van vertrouwen met de ander - een vertrouwen, dat de ultieme basis is van alle menselijke relaties, met inbegrip de economische.

 

De roeping van het grote Europa dat u hier in de Raad van Europa vertegenwoordigt en waarvoor u zorg draagt, is om dagelijks voort te bouwen aan een cultuur waarin de mogelijkheden tot autonomie en openheid van de mens samen tot bloei kunnen komen. Een cultuur waar fatsoen en hoffelijkheid het halen op onverschilligheid en vernedering. Een 'vermogenscultuur' die elk individu de reële kans geeft om zijn mogelijkheden en persoonlijkheid te ontwikkelen, die elk mens de middelen geeft om zich te engageren en zich volledig te verwezenlijken, om zijn verantwoordelijkheid op te nemen en risico's te nemen - met respect voor de anderen en in samenwerking met hen. Alleen een dergelijke cultuur laat een efficiënte toepassing toe van de mensenrechten, waarvoor wij allen borg staan.

 

Om deze cultuur van de waardigheid actief te bevorderen, ontbreekt het onze maatschappijen niet aan instrumenten. Het respect voor fundamentele mensenrechten die de ontkenning van menselijkheid afwijzen, veronderstelt allereerst een vorming en een opvoeding met het oog op de ontplooiing van de mens in zijn geheel. Het gaat hier om fundamenteel opvoedend werk binnen het gezin, de school en via de media. Het gaat er om dat onze kinderen meer leren dan enkel het verdedigen van hun individuele rechten.

 

Het is ook wat wij doen wanneer wij de voorwaarden creëren voor wederzijds respect in de relaties op de werkvloer. Het is wat wij doen wanneer we de werktuigen smeden voor meer sociale cohesie of om te strijden tegen mensenhandel, wanneer we de zieken en ouderlingen, de zwakkeren in de maatschappij zo menselijk mogelijk omkaderen en vergezellen tijdens hun lijdensweg; wanneer we woorden van haat bevechten die aanzetten tot geweld; of wanneer we een actieplan uitwerken tegen extremisme en radicalisme.

 

In feite is het aan deze essentiële taak dat uw instellingen, verenigd in de Raad van Europa, zich wijden. Ik wil u hierbij allen ten zeerste aanmoedigen in uw acties en in uw engagement.

 

Tot slot is de waardige maatschappij die wij samen willen opbouwen en behouden ook een maatschappij die verder dan vandaag verbanden legt, voorbij de nabije horizon. Wij zijn allen erfgenamen van de generaties die ons voorafgingen. Of het nu gaat om de waarden, de cultuur, de wetenschap of het recht - de geschiedenis heeft ons gevormd. Het respect voor de waardigheid van iedereen omvat ook de toekomstige generaties. Laten we onze kinderen niet onterven.

 

Mevrouw de Voorzitter van de Parlementaire Vergadering,

Mijnheer de Voorzitter van het Ministercomité,

Mijnheer de Secretaris Generaal,

Dames en heren, leden van de Parlementaire Vergadering,

 

Geduldig hebben onze voorouders het bouwwerk van de democratie en van de rechtsstaat opgetrokken. Door de invoering van de mensenrechten hebben zij dit bouwwerk willen bestendigen door aan de mens de centrale plaats te geven die de zijne is. Aan ons komt het toe om deze erfenis te verstevigen en te verbeteren. Het is onze taak om de onderliggende waarden ervan ter harte te nemen en ze vorm te geven in een waardige maatschappij.

 

Ik dank u.

 

 

Recente openbare activiteiten